Alphen en Riel

Brouwerijen vanaf 1900
bron: Friedrich - Brauereiverzeichnis Niederlande (1997)
1a.B. van Gorp, bierbrouwerij De Gouden Leeuw1915
1b.A.J. van Gorp, bierbrouwerij De Gouden Leeuw1925

Brouwers in Alphen en Riel

De gilden van Breda wisten van de heer van Breda in 1321 gedaan te krijgen dat het verboden werd om buiten de poorten van de stad bier te brouwen, anders dan voor eigen gebruik. In 1418 onstond hierover een conflict tussen de stad Breda en de dorpen Alphen, Gilze en Baarle, dat werd voorgelegd aan "den Hertoghe ende zijnen Raedt". Er wordt het volgende besloten:

"In den yersten, op 't punt van der Brouweryen is geraemt ende gesloten, dat de voornoemde dorpen elck besunder Brouwen sullen mogen in haren Dorpe alrehande Bier tot heur selfs drinken sonder enigen accijse daer af te derven geven der Stadt van Breda, soo wes Bier dat sy alsoo brouwen om dat int gros te vercoopen oft te tappen, daer sullen sy aff geven half acchijse ende daer mede sullen sij gestaeen".

Vanaf dat moment mogen de brouwers in de dorpen dus niet alleen voor eigen gebruik brouwen, maar ook voor de verkoop aan anderen.

In 1639 koopt Carel van Roy een boederij aan de Kerkstraat en bouwt in of bij dit pand een brouwerij. Zijn zoon Adriaan, geboren in 1625, is getrouwd met Maria van Asten en woont in de Molenstraat in het huis van zijn schoonvader. Adriaan bouwt een zijvleugel aan dit pand, waarin hij een brouwerij, stal en schuur onderbrengt. In een schepenakte van 1711 blijkt de brouwerij nog steeds aanwezig te zijn. In 1716 wordt hij niet meer genoemd als brouwer , het blijkt dat hij de brouwerij verhuurt aan Cornelis Couwenberg. De tweede zoon van Carel de Roy, Hubertus, geboren in 1628, treedt in het huwelijk met Maria Princen, dochter van Paulus Princen, bierbrouwer, herbergier en boer in de Kerkstraat. Hubertus neemt de brouwerij over en geeft deze later door aan zijn zoon Dionisius. Een zoon van Dionisius, Carolus of Carel de Roy wordt in 1719 pachter van de Prinsenhoef en heeft op deze hoef ook een brouwerij. Hij is in deze tijd één van de belangrijkste brouwers in de streek. Ook de brouwerij in de Kerkstraat blijft nog in de familie.

Foto © Pascal Stark
Foto © Pascal Stark

Ene Jan Frances de Roy bouwt op de hoek van de Heuvelstraat en de Goedentijd in 1737 een bierbrouwerij, woning, stal en schuur, hij is dan 23 jaar.

In 1752 doet de stad Breda weer een poging, om de brouwers in de omliggende dorpen te beperken in hun activiteiten. Carel de Roy, de brouwer op de Prinsenhoef gaat in 1754 met vijf (!) andere brouwers uit Alphen, waaronder Jan Frances de Roy, in beroep als hen het uitoefenen van de "brouwersnering" wordt verboden. Als argumenten voert Carel aan dat hij niet buiten de "borstel" kan omdat zijn vee daarmee wordt gevoerd en tevens maakt hij melding van het feit dat er al meer dan 100 jaar op de Princenhoef wordt gebrouwen. Dit heeft succes en eind 1755 worden de brouwketels en roerkuipen geijkt en kon hij weer met brouwen verder gaan. Hij overlijdt in 1757. Zoon Dionisius gaat verder. Dochter Cornelia trouwt met een dochter van Jan Hubert Backx, bierbrouwer aan de Zandstraat.

De andere brouwer, Jan Frances heeft zijn brouwerij vanaf 1752 stilgelegd en overlijdt even daarna. Na het positieve besluit omtrent het geschil met Breda, neemt zijn weduwe de roerstok in handen De brouwerij is met een ketel van negen tonnen en een kuip van vijftien tonnen een grote brouwerij.

In 1811 wordt Arnoldus van Gorp de pachter van de Prinsenhoef en hij zet hier de bierbrouwerij voort.

1n 1816 zijn er nog drie andere brouwerijen, waarvan twee in Alphen en één in Riel. Deze vier brouwerijen hebben in totaal acht werklieden.

In de Kerkstraat te Alphen brouwt de weduwe van Pieter de Kock en op Alphen-Oosterwijk had Jan Aarts een brouwerij. In Riel, op het Kerkeind had Sebastiaan Criellaars een brouwerij op de hoek van de Kerkstraat en de Goirleseweg.

Van Gorp stopt in 1818 met brouwen op de Prinsenhoef en neemt in het dorp de brouwerij van de weduwe de Kock over en begint daar als brouwer, tapper en logementhouder. Hij noemt zijn etablissement de Gouden Leeuw. In 1820 maakte hij 600 vaten beslagt.

Zijn collega's Aarts en Criellaarts hadden iets kleinere brouwerijen met 250 respectievelijk 500 vaten sjaars. Beiden waren overigens ook logementhouder en tapper. Jan Aarts stopt omstreeks 1830 met brouwen, wel blijft hij logementshouder en herbergier. De brouwerij van Criellaarts in Riel stopt in 1871. Over deze brouwerij wordt in 1837 nog geschreven: "de thans nog bestaande bierbrouwerij, uitwendig van de grootste ten plattelande, was eertijds tevens ingerigt tot het maken van gedestilleerde dranken, doch het gestel daartoe is voor meer dan vijftig jaren niet meer gedestileerd; de jenever daarvan was, volgens overleveringen middelmatige brabander".

In 1891 brak in het café van van Gorp een grote brand uit en ook de boerderij en de brouwerij worden in de as gelegd. Zoon Baldewinus van Gorp bouwt in 1893 de brouwerij weer op en moderniseert deze. Nolleke, één van de acht kinderen van Baldewinus, kreeg later de brouwerij en herberg op zijn naam en hij deed goede zaken tot 1918. Toen vond opeens zijn bier geen aftrek meer en de afzet nam iedere week af. Men werkte dag en nacht om het bier weer goed te krijgen, maar het lukte niet en men heeft nooit kunnen achterhalen waarom het bier ineesn zo slecht was geworden. In 1919 heeft men de brouwerij opgeheven en de vergunning verkocht aan "De Posthoorn" in Tilburg. Na het overlijden ging zijn broer Koos door met het café en door een huwelijk van één van de dochters later over naar de familie Eykens.

De brouwerij van van Gorp is de laatste brouwerij van Alpen en Riel.

Artikel met dank aan Harrie de Leijer van Museumbrouwerij De Roos