Reusel

Brouwerijen vanaf 1900
bron: Friedrich - Brauereiverzeichnis Niederlande (1997)
1a.S. Kerkhofs, bierbrouwerij De Zwaan1912
1b.A. Kerkhofs, bierbrouwerij de Zwaan1920
1c.Gebrs. Kerkhofs, bierbrouwerij De Zwaan1948

Bierbrouwerij De Zwaan

Eén van de laatste echte Brabantse dorpsbrouwerijen was de Zwaan in Reusel die tot 1948 actief is geweest. De Gebroeders Kerkhofs maakten hier aan de Lensheuvel hun lagerbier totdat ze overgingen op een agentschap voor een grotere brouwerij.

De eerste gegevens van Reusel zijn uit 1794, als er in het dorp zes brouwerijen zijn, waarvan er twee voor hun eigen consumptie en tapneering maar tweemaal 's jaars brouwen.

Bierviltje bierbrouwerij De Zwaan Reusel (collectie Kees Schrover)
Bierviltje bierbrouwerij De Zwaan Reusel (collectie Kees Schrover)

In 1800 is er maar één brouwerij met één werklid, waarvan de staat gering wordt genoemd. De consumptie is beperkt tot de gemeente en de naburige gemeente.

De stamboom van de familie Kerkhofs gaat terug naar de eerst bekende brouwer Anthonie Kerkhofs geboren op 22 oktober 1879 te Reusel. Zijn twee zonen Anthonie en Cornelis worden beide bierbrouwer. Cornelis krijgt twee zonen, die allebei bierbrouwer worden genoemd, de jongste van de twee, Simon, geboren op 18 mei 1838, zet het brouwersgeslacht voort.

Rond de eeuwwisseling is Simon nog steeds de brouwer en hij breidt in deze periode de brouwerij uit. In 1904 laat hij een bergplaats en een pakhuis bouwen en in 1905 vergroot hij de bierkelder. In 1911 laat hij er een bescheiden "wasch- en bakhuis" bijbouwen.

Zijn zonen Janus en Jan nemen in 1912 de brouwerij over, na hen was het Wim, de zoon van Janus die de traditie voortzette.

BHIC archief foto
BHIC archief foto: Reusel - Lensheuvel 54; 56
(Brouwerij; woonhuis. Gebouwd tussen 1850 en 1900. Verbouwing na 1950.)

De brouwerij was gelegen links achter de woning, het magazijn rechts. Van de brouwerij zelf is niets meer te zien, alles is in de loop der tijd gesloopt. Van het dubbele woonhuis dat er nu nog staat was het rechtse deel vroeger de potstal.

Vaag is in het bovenlicht van de voordeur nog te zien de naam van de vader van de laatste brouwer "S. Kerkhofs" bierbrouwer en logement alsmede een sectienummer van het perceel (vroeger moesten brouwerijen dit nummer vermelden op hun pand).

Janus Kerkhofs had naast zijn brouwerij ook nog een boerderij met in het begin van de twintigste eeuw drie melkkoeien in een potstal en toen hij stopte twaalf melkkoeien die in een inmiddels gemoderniseerde grupstal stonden. Voordat Adrianus brouwer werd hadden ze ook nog een logement en café. In de goei kamer zaten twee bedsteden waarin reizigers konden overnachten en in den herd waar je vanaf de voordeur direct binnen kwam was het café.

Adrianus brouwde één keer in de week; de avond van tevoren begon hij al met de waterketel op te stoken met cokes. Kennelijk had hij er zin in want tijdens het brouwen zong en floot hij altijd wel een deuntje. (enkele titels: Avé Maria, Het hutje bij de zee en Laura lief morreldier).

De brouwerij die achter het woonhuis was gelegen kreeg het brouwwater uit een waterput. De goten op de plaats zagen rood omdat er ijzerhoudend water uit de put kwam. De waterketel en de kookketel waren koperen ketels waarvan er een met een koperen deksel gesloten kon worden en de andere met een houten deksel. De bovenzijde was te bereiken met een ladder vanuit de brouwzaal maar ook vanaf de moutzolder. De mout werd gemalen in een moutmolen die boven de stalen roerkuip hing en van waaruit dus rechtstreeks de mout in de mechanisch aangedreven roerkuip gestort werd. De mout werd betrokken uit Reuver.

Na het maischen ging de wort via een lekbak van koper die ca. 100 cm. diep was naar de kookketel. Tijdens het kookproces werd de hop toegevoegd die uit Duitsland betrokken werd. Het koelen gebeurde in een groot ijzeren koelschip waarin ook nog een koelmachine stond; deze koelmachine werkte op ammoniak waarbij ijs vrij kwam dat voor de kasteleins was. Na het koken werd er gegist maar waar dat gebeurde is niet helemaal duidelijk. Wel was er een lagerkelder aanwezig met grote ijzeren tanks.

Er werd lagerbier gebrouwen dat geleverd werd aan cafés van De Mierden tot aan Eindhoven. Als het bier richting Eindhoven vervoerd werd ging de brouwer laat in de middag al weg met zijn paard en platte kar en kwam pas de volgende dag terug.

In het begin werd alleen in houten vaten afgevuld maar later werd er ook nog gebotteld in flessen die met een voetbediende kroonkurkmachine werden afgesloten. In deze machine heeft Jan nog een stuk van zijn vinger verloren toen hij een vermeend defect wilde aanwijzen bij het vliegwiel, en daarna nog een stuk van een andere vinger toen hij klem kwam tussen de kroonkurkhouder en de fles.

Twee maal per jaar kregen de kinderen de boodschap mee naar de lagere school dat er die dag "tunnekes gerold" zouden worden. Die dag werden dan de vaten opnieuw gepekt; de vaten werden nadat ze van nieuwe pek waren voorzien op houten balken door de kinderen gerold, zodat de pek zich gelijkmatig zou verspreiden totdat de pek verhard was. Als beloning kregen de kinderen dan gratis limonade, meestal champagnepils, een ware traktatie in die tijd.

Elke brouwer had in die tijd een morele verplichting ten opzichte van de afnemers van zijn bier om regelmatig en meestal op zondag op bezoek te komen en daar goed te verteren voor de klandizie. Als de brouwer in een lokaal binnenkwam werd al het personeel erbij geroepen die dan voor niks konden drinken van de brouwer.

Janus Kerkhofs had het zo verdeeld dat hij samen met broer Jan elke twee weken een bezoek kon brengen aan zijn klanten; statig begonnen ze samen aan de wandeling van klant naar klant, waarna hij bij thuiskomst meestal niet meer zo recht van leden en zo goed van spraak was. De kermis was een echte beproeving; hij diende dan elke dag te gaan. Begrijpelijk dat zijn gezinsleden dan zeiden dat hij aan de kruisweg bezig was.

Het verhaal van de sluiting is bijna hetzelfde als bij andere brouwerijen: concurrentie van ondergistende bieren (pils) wat door de grote brouwerijen gebrouwen werd.

Modernisering was door de hoge investering niet haalbaar. Bij deze brouwerij kwam daar nog bij dat de meeste en grootste klanten ver weg woonden namelijk Eindhoven en omgeving, en omdat door de ligging aan de grens het afzetgebied maar een halve cirkel rond de brouwerij betrof.

Na de sluiting in 1948 heeft Wim het bedrijf voortgezet als dranken-groothandel en als centrale koeling c.q. diepvries waar mensen uit het dorp een kluis konden huren waarin hun bederfelijke waar bewaard kon worden.
Artikel met dank aan Harrie de Leijer van Museumbrouwerij De Roos